Mijn baasjes noemden mij Robinius, naar een rode acacia soort. Omdat deze zelfs in de koudste winters z'n blaadjes houdt, en doornen heeft die niet prikken.
Maar omdat de baas nogal van plagen en troetel naampjes houdt, kreeg ik er al gauw een paar namen bij.
Ik hield van ridders en prinsessen. En daar ik omringd was met prinsessen moest ik me wel ridderlijk gedragen. Op een avond werd ik tot ridder geslagen en mocht mezelf Robinius Flavius de eerste noemen.Soms misbruikte mijn baas deze ridderlijke naam als ik toevallig in een kastje moest zijn wat net open ging. Dan noemde hij me Flaaf!
Zijn grootste troetel naam was Harry. En omdat ik altijd een pracht van een krul in mijn ridderlijke staart had zei hij Harry Krul. Andere troetel naampjes houd ik liever geheim.